Dit is mijn droom voor vandaag en morgen. Ik vraag je, droom je mee? En niet alleen dat, laten we verder gaan:

Droom, durf en doe!

Als jij meedoet, dan laten we deze verandering toe. Durf jij los te laten? Twijfel je? Bedenk dan, wat kan er mis gaan als ik het probeer? Of: Is het eigenlijk erg als er iets mis gaat? Is het erg als ik niet weet hoe het zal gaan? Durf jij hiermee te gaan stoeien?

Droom, durf, doe

En, laten we beginnen bij het begin. Wat ik tot gisteren zag…. Voor veel pedagogisch medewerkers en leerkrachten betekent het begin: eerst structuur in de groep, de basis aanleren, zorgen dat de kinderen stil op hun stoel leren zitten en zorgen dat iedereen mee komt.

Voor veel kinderen betekent dit echter: aanpassen, wachten, verveeld raken, motivatie kwijt raken en gedragsproblemen ontwikkelen.

“Nou, nou, dat zal wel meevallen,” en “Iedereen moet nou eenmaal leren dat er wel eens iets niet leuk is,” “Iedereen moet leren wachten” en “Iedereen moet leren omgaan met alle kinderen in een groep net zoals later in de samenleving”.

Maar, is dat wel echt wat het kinderen brengt als ze 3 of 4 jaar oud zijn? Gaan ze die boodschap eruit halen? Of gebeurt er iets anders: verliezen een aantal hun leergierigheid, hun wijsheid over wat ze nodig hebben en zie je hun ogen minder stralen, hun onzekerheid toenemen, hun vragen verstommen?

Laten we eens kijken wat we willen voor morgen? Wat willen we betekenen voor onze kinderen? En wat is daarin het begin? Het begin is je uitgangspunt, het doel voor en de reden waarom jij voor die groep staat, en de reden dat kinderen in jouw groep zijn. We willen toch dat kinderen lekker in hun vel zitten, sociale vaardigheden ontwikkelen, zichzelf als mens ontwikkelen, algemene kennis opdoen en zich leerstrategieën eigen maken?

 

Als je naar dit begin kijkt, dan zouden we echt willen pleiten voor heroverweging van je structuur. Draagt je dagelijkse structuur voor alle kinderen bij aan het doel?

 

“Maar ik kan niet mijn groep aanpassen voor 1 kind.” De vraag die daarbij opkomt is, over hoeveel kinderen hebben we het? Als je kijkt naar de bovengemiddelde, begaafde, en hoogbegaafde kinderen, dan gaat dit minimaal over 16% van de kinderen. Dat is dus 1 op de 6 a 7 kinderen. Kijken we naar cijfers over onderpresteren die jaren geleden uit onderzoek kwamen is het vermoedelijk een groep tussen de 20 en 30%. Bijna 1 op de 3 in dat geval.

Als we ergens voor pleiten, dan geven we ook graag tips mee:

  • Gebruik de grote kring alleen voor zaken waarbij sociale vaardigheden een rol spelen. Bijv. praten over welke regels en waarom of wat doe je als er ruzie is?
  • Gebruik de grote kring ook voor nieuwsgierig maken, deponeer iets nieuws waar elke kind op zijn eigen niveau mee aan de gang kan. Iets wat prikkelt zoals “Wat gebeurt er als je elke dag cadeaus krijgt?”
  • Geef geen aandacht aan cognitieve herhaling in de grote kring, zelfs niet aan het dagritme, tenzij je hierbij hogere orde denkvragen stelt. Zie onze blog over verrijking die altijd werkt.
  • Zorg in je groep steeds weer voor nieuwe materialen, zorg dat er altijd iets te ontdekken valt. Een onbekend voorwerp zoals een verrekijker of weegschaal, een lap stof, takken, lege verpakkingen, etc.
  • Stel elk kind vragen op zijn eigen niveau en ga altijd serieus in op het kind. Erkenning is wat je dan geeft, op inhoud en persoon.
  • Praat nooit in Jip en Janneke taal en gebruik geen verkleinwoorden. Je neemt kinderen daarmee serieus en het is beter voor de taalontwikkeling.

Met deze tips en je echte doel op je netvlies, kan jij weer fris aan de slag. En vergeet nooit: ook je collega en jij hebben tips voor elkaar. Samen maken we het mooier!