Best gek, als je al jarenlang bezig bent met het onderwerp hoogbegaafdheid, dat er tegelijkertijd nog zoveel onbekendheid over is. Zo las ik laatst hoe een ouder op het consultatiebureau werd aangeraden om haar snelle kind zo min mogelijk te stimuleren, echt waar! Vast vanuit goede bedoelingen gezegd, en gelukkig trok deze moeder zich er weinig van aan, maar het kan je toch onzeker maken als ouder. Een andere ouder vertelde me hoe de leerkracht op school van haar dochter niet kon begrijpen dat haar dochter niet graag met klasgenoten speelt, maar wel veel met oudere kinderen uit de buurt.

Een paar dagen terug vertelde een moeder dat ze geen PGB toegewezen kreeg nadat bij de hulpvraag het woord hoogbegaafdheid was gevallen, met de woorden “als er hoogbegaafdheid speelt, dan moet de school dat oplossen.” Dat ze al vaak, zonder resultaat, bij de school had aangeklopt werd hier niet in meegenomen. Maar echt steil achterover viel ik van de reactie van een sociaal team medewerker van een gemeente. Zij zei tegen een ouder dat als zij haar thuiszittende kind wat minder zijn zin gaf, hij wel weer gewoon naar school zou gaan. Hoe hard dit bij die ouder aankwam, dat kun je je vast voorstellen.

Als ik hoor over dit soort situaties en reacties vol onbegrip, dan is dat wel meteen een enorme stimulans om flink aan de slag te gaan. Hoe meer mensen op de hoogte zijn, hoe minder vooroordelen en hoe meer kinderen goede begeleiding kunnen krijgen! De eerste stap is informeren over hoogbegaafdheid, wat is het, hoe kun je het herkennen en waarom is dit van belang. Als je dat weet dan is ook het gedrag beter te begrijpen. De gevoeligheid, de intensiteit, de kritische instelling, de leerhonger…

Hoe leuk is het dan om de vraag te krijgen, vanuit een aantal beroepsgroepen, naar een handvat waardoor zij signalen van hoogbegaafdheid beter gaan herkennen! We hebben nagedacht over wat handig is voor deze doelgroepen en hebben afgelopen maanden een nieuw instrument gemaakt: een kaartenset, gemaakt voor alle professionals die kinderen begeleiden. Van kindercoach tot psycholoog en van logopedist tot kindertherapeut.

Natuurlijk is een kaartenset een start en gericht op signaleren. Het geeft nog weinig inzicht in het waarom van bepaald gedrag of van veel voorkomende problemen. In onze blogs komen we hier wel geregeld op terug. Daarnaast is er voor de kopers van de kaartenset een bijbehorende webpagina met aanvullende informatie om wel inzicht te krijgen, naast tips, tools en verwijzingen. In deze blog ga ik in op een kenmerk dat het meest is verweven met hoogbegaafdheid, namelijk intensiteit.

Veel kenmerken en signalen die op begaafdheid kunnen wijzen zijn zo algemeen voorkomend, dat het lastig is om te weten wanneer er echt sprake is van hoogbegaafdheid. Bijvoorbeeld het kenmerk ‘beweeglijkheid’. Dat komt veel voor bij verschillende kinderen. Of de kenmerken ‘opmerkzaam’, ‘gevoelig’, ‘autonoom’, ‘gedreven.’ Als je dit in een kind herkent, is het dan hoogbegaafd?

Om te weten of hoogbegaafdheid speelt kijk je sowieso naar een combinatie van kenmerken en gedragingen. Maar het kenmerk intensiteit is ook veelzeggend. Zie je een aantal kenmerken intens aanwezig, dan is het vermoeden van hoogbegaafdheid gerechtvaardigd. Je kijkt dus naar kenmerken en naar het intens, of sterk, aanwezig zijn van dat kenmerk. Bijvoorbeeld, je merkt op dat een kind erg gevoelig is. Bekijk dan ook of het sterk aanwezig is, heb je te maken met een intens voelend kind?

Hetzelfde geldt voor de andere gebieden, hoe intens is de behoefte aan autonomie? De eigen wil? De beweeglijkheid? De drang om te leren? De kritische instelling? De concentratie? Maar ook de problemen en het probleemgedrag kunnen intens zijn. Grote faalangst, zeer druk of chaotisch gedrag, intens boos, intense gevoelens van eenzaamheid.

Bij een training vraag ik cursisten wel eens, “ga eens na wanneer en bij wie je het woord ‘te’ gebruikt of zou kunnen gebruiken.” Bijvoorbeeld: “Nina is eigenlijk te gevoelig, ze huilt om niks.” Of “Ik zeg regelmatig tegen Ine, doe eens rustiger, je doet nu echt te druk” of “Ik denk vaak bij Arthur, je wilt echt te vaak je eigen zin doen.”

Bedenk bij de signalen die je ziet of deze opvallend of sterk, met andere woorden intens, aanwezig zijn. Is een kind hier anders in dan de meeste andere kinderen die je ziet? Zien ouders thuis deze intensiteit bij hun kind? Deze vraag is van belang omdat veel hoogbegaafde kinderen hun intensiteit goed kunnen verbergen als ze niet thuis zijn. Vraag de ouders hier dus naar, en vertel wat jij bij het kind ziet. Vaak zijn ouders zich er helemaal niet van bewust hoe compleet anders hun kind zich kan voordoen bij anderen. Dit wordt door hen soms ervaren alsof hun kind twee gezichten heeft. Zo anders is het thuis dan bijvoorbeeld op school, of bij anderen thuis.

Toch zal een glimp van de intensiteit moeilijk te verbergen zijn. Zie jij een kind plotseling heel gedreven of enthousiast worden bij een spel, bij een specifiek onderwerp of bij een uitdagende vraag? Zie je een oplettende blik die jou scant en in de gaten houdt, en ondertussen nauwlettend om zich heen kijkt? Voel je een onderhuidse spanning bij een moeilijke vraag, een zeer grote betrokkenheid bij een oefening, een grote verlegenheid omdat het kind bijna niks durft te zeggen, een ingehouden boosheid, een gevoelige blik, een kind wat zijn best doet heel aardig te zijn?

Opvallender: een kind dat pertinent niks zegt, overal tegenin gaat, of juist opvallend open, spontaan en eerlijk is in zijn reactie, zo gauw hij zich vertrouwd voelt.

Observeer, onderzoek en overleg om zo het kind te leren kennen en het gedrag goed te duiden. Neem hierin mee dat je met een hoogbegaafd kind van doen kan hebben. Zo raken deze signalen niet uit beeld en worden ze niet te snel aan andere zaken toegeschreven.

En voor de volledigheid: het is heel goed als kenmerken van hoogbegaafdheid worden gesignaleerd, maar het stellen van een diagnose is voorbehouden aan een deskundige op dit gebied. Fijn toch, dat je wel kunt signaleren en daardoor meer inzicht krijgt, maar dat niet iedereen zich hoeft te bekwamen in diagnosestelling. Vaak is het niet nodig, een diagnose, omdat er al zicht is op wat het kind nodig heeft.

Tips:

Leer het kind eigen gevoelens te herkennen door er woorden aan te geven. Zijn woorden nog lastig dan kan dit ook, al op hele jonge leeftijd, met behulp van kleuren, gebaren, foto’s of plaatjes. Een kind kan dan aanwijzen hoe hij zich voelt, of hoe sterk die emotie is. Een voorbeeld is de boosheidsthermometer, hoe hoger en roder hoe bozer een kind zich voelt. Boeken over emoties zijn fijn voor de herkenning. Als kinderen hun eigen gevoelens herkennen en kunnen plaatsen, dan kunnen ze ook beter omgaan met de intensiteit van dat gevoel.

Vraag je altijd af, als je te maken krijgt met intense gedragingen of uitingen bij een kind, of hoogbegaafdheid een rol zou kunnen spelen. Ook als daar niet direct andere aanwijzingen voor zijn. Zorg voor voldoende uitdagend niveau en kijk goed bij wie het kind zich thuis voelt. Verbinding met anderen en zich gezien voelen, zijn de eerste behoeften die vervuld moeten worden voor een kind durft te laten zien wat hij kan.

De intensiteit van problemen of probleemgedrag kan groter worden als een kind al langere tijd niet goed in zijn vel zit. Aanhoudende frustratie of verminderd welbevinden maakt het erger. Kijk hoe lang het patroon al speelt. Opvallend is dat, als hoogbegaafdheid een rol speelt, deze problemen soms opeens verdwijnen als een kind naar een plusklas mag, van school verandert en daar aangepast onderwijs krijgt, of als hij versnelt. Bedenk: achter negatief gedrag zit een positieve behoefte!